‘Theater? Verdien je daar brood mee?’
Het verhaal van Șaban Ol

Ik ben als zestienjarige jongen naar Nederland gekomen in 1978, vanwege gezinshereniging. Mijn vader, die het liefst wilde dat ik dokter of advocaat zou worden, was bang dat ik een schooier zou worden. Hij heeft mij daarom naar Alkmaar gehaald om te gaan werken, waar ik aan de slag ging in een metaalfabriek. Ik vond Alkmaar een beetje klein en benauwend omdat ik gewend was aan een grote stad als Bursa. Maar tegelijkertijd erg opwindend: nieuwe taal, nieuwe land en als puber ontdek je meisjes. Ik heb mijn vader nauwelijks gekend:  hij was altijd aan het werken. Een gesloten man was het, een einzelgänger. Pas vele jaren later besefte ik dat ik mijn vader nooit heb leren kennen. Het was een migratieproces. Iedereen maakte dat mee. Je stond er niet bij stil. Mijn vader nam mij wel kwalijk dat ik op mijn achttiende uit huis ging. Hij heeft een paar jaar niet met me gesproken. Zijn interesse voor theater ging niet verder dan de vraag “Verdien je er brood mee?” Als ik ‘ja’ zei, was hij tevreden. Theater was een onbekend terrein voor hem.

Bewogen studietijd
Als kind had ik al veel interesse voor poëzie en literatuur. Toen ik negentien jaar was, zag ik een advertentie in de Turkse krant Milliyet. Er werden Turkse jongeren gevraagd die een theateropleiding willen volgen. Ik meldde me aan uit nieuwsgierigheid en startte al snel, met acht andere jongens. Onze leraar Vasɪf Öngören en Meral Taygun hebben daar mijn interesse gewekt voor regie. Ik deed de selectie voor de regieopleiding in Amsterdam en werd aangenomen in 1984. Het waren vijf leerzame maar ook moeizame jaren. De docenten (Wim Meuwissen, Jan Leroy en Eric De Volder maar ook Loek Zonneveld) hebben een enorme invloed gehad op hoe ik naar theater keek.

Starten met niets
Ik had een aantal goede leermeesters: de eerste was Vasɪf Öngören, een overtuigend marxist en regisseur, schrijver en kenner van Bertolt Brecht. (Hij was assistent van Manfred Wekwerth in de jaren ’60). Daarnaast volgde ik regie-cursussen bij Rufus Collins en Henk Tjon. Zij hamerden vooral over de noodzaak van een eigen gezelschap om een eigen artistieke identiteit en een signatuur te kunnen creëren. Maar het meeste ben ik beïnvloed door Eric de Volder, over de authenticiteit en autonome houding van de theatermaker. Hij begon met niets, alleen met een onderwerp, dagboeken of brieven enz. Hij bouwt dan langzaam uit over dit onderwerp. Personage opbouw en improvisaties tot je het bijna niet meer kan! Dat is ook mijn manier om ergens mee te beginnen.

Basisregels RAST
Toen ik in 2000 zelfstandig subsidie wilde aanvragen, hoorde ik via Gert de Boer [oud zakelijk leider] dat Celil met dezelfde plannen rondliep. Gert stelde voor om samen te gaan werken. We gingen om tafel zitten en startten vervolgens al snel een van de eerste ‘interculturele-gezelschappen’ op. Wat ik zeker wist: ik ga geen bestaande stukken herhalen. Om de huidige tijdsgeest te begrijpen, om een getuigen te zijn van mijn tijdperk waarin ik leef, moet ik nieuwe dingen creëren. Nieuwe vormen, nieuwe teksten, theater moet een weerspiegeling zijn van de samenleving, sociaal engagement. We waren het snel over eens van de basisregels van RAST.

Lees ook het verhaal van artistiek leider Celil.